Geschiedenis van Diest

Diest in de Oudheid

De oudste sporen van menselijke bewoning in de streek van Diest dateren uit het Paleolithicum (ong. 70.000 voor Christus). De eigenlijke grondvesten voor het huidige Diest werden gelegd in de Frankische periode. Volgens de overlevering zou de Heilige Remigius in de 7de eeuw een kerkje hebben opgericht ter ere van zijn leermeester, de heilige Sulpitius.

De oudste vermelding van Diest dateert uit 877. Diest was toen een pagus of graafschap van het Karolingische Rijk. In 1087 wordt in een kroniek van Sint-Truiden een zekere Otto, heer van Diest, vermeld. Zijn opvolgers zouden de heerlijkheid Diest besturen tot in 1499, toen Diest in het bezit kwam van Engelbert, graaf van Nassau.

Diest in de Middeleeuwen

Sinds de 11de eeuw had zich langs de Demer een handeldrijvend centrum ontwikkeld dat het hoogtepunt van zijn bloei bereikte in de 14de en 15de eeuw. Dit was voornamelijk te danken aan de uitstekende ligging: op een rivier de Demer, en op de belangrijke handelsweg Brugge - Keulen.

Tussen 1168 en 1190 werd de heer van Diest leenman van de bisschop van Keulen in de hoop op die manier beschermd te zijn tegen de hertog van Brabant, die er steeds op uit was zijn gebied te vergroten.
Het was echter Hendrik I, hertog van Brabant, die de stad in 1229 een vrijheidscharter schonk. Zo kwam er een steeds groter wordende kloof tussen de betrekkingen Diest en Keulen.

In de 14de en 15de eeuw bereikte de stad het hoogtepunt van haar bloei. Deze welstand kwam er door een drukbezochte landbouwmarkt, de interregionale graan- en veemarkten, maar vooral door de lakennijverheid en -handel. Het Diestse laken werd aangetroffen op bijna alle grote West-Europese markten.

Diest als Oranjestad

In 1499 kwam Diest door ruil in het bezit van Engelbert, graaf van Nassau. Eén van Engelberts opvolgers, René van Chàlon, voerde sinds 1530 ook de titel 'Prins van Oranje'. De prinsen van Oranje- Nassau bleven in het bezit van Diest tot in 1795, toen de Zuidelijke Nederlanden aangehecht werden bij Frankrijk.


René Van ChalonVanwege haar strategische ligging in het Demerdal, op de grens van Brabant en Luik en haar banden met het huis Oranje-Nassau was de stad geregeld een doelwit voor belegering, plundering en verwoesting. Nadat Diest tussen 1701 en 1705 afwisselend door de Fransen, Hollanders en Spanjaarden bezet was geweest, werd de stad heroverd door de Fransen.

 

 



Diest in de Oostenrijkse periode

De Oostenrijkse periode (1713-1790) luidde weer een periode van herstel in, de handel herleefde, de bierbrouwerij bloeide als nooit tevoren. De hervormingen van de Oostenrijkse vorsten werden niet erg enthousiast ontvangen, daarom werden de Fransen in 1792 als bevrijders begroet. De nieuwe machthebbers gingen echter nog veel verder en schaften al de instellingen van het Ancien Régime af.



In 1798 brak in de Kempen de Boerenkrijg uit. Gedurende vier dagen werd Diest door het boerenleger bezet, terwijl de stad door de Fransen werd omsingeld. Het gros van het boerenleger kon echter ontsnappen en het onverdedigde stadje werd eens te meer door de Fransen geplunderd. 
 
Ook het Verenigd Koninkrijk was geen lang leven beschoren (1814-1830). Tussen 1837-1853 werd Diest voorzien van nieuwe wallen gericht tegen een mogelijke Hollandse inval. Reeds op het einde der 19de eeuw waren deze versterkingen verouderd en gedeklasseerd.

 

Diest in de 20ste eeuw

Tijdens de eerste Wereldoorlog werden kleine delen van de wallen gesloopt en pas in 1929 kreeg de stad zeggingsschap over de fortificaties. Tijdens WOII werd een groot deel van het nog resterende gedeelte geslecht. Gelukkig lieten beiden Wereldoorlogen geen verdere diepe sporen na.

Diest is thans een kleine Vlaams-Brabantse provinciestad met een duidelijke centrumfunctie met een bloeiend handelscentrum, gelegen langs de grote weg Keulen- Maastricht - Leuven - Brussel.